Thuisonderwijs en de wet

Het doel van deze tekst is om ouders die thuisonderwijs overwegen bekend te maken met enkele juridische aspecten daarvan in de huidige Nederlandse situatie. Het ligt buiten de strekking van deze tekst om aanbevelingen te doen of om stelling te nemen over de leerplicht en de onderwijswetten. Vanzelfsprekend kunnen aan deze tekst geen rechten worden ontleend. Men zij verwezen naar de volledige tekst van de Leerplichtwet en de onderwijswetten, deze zijn na te slaan op www.wetten.nl.

In Nederland is in principe ieder woonachtig kind van vijf jaar en ouder leerplichtig. Dit betekent dat hij/zij:

a. ingeschreven dient te staan bij een dagschool die voldoet aan de eisen van de Nederlandse onderwijswetten;

en

b. deze school geregeld dient te bezoeken (d.w.z. steeds als de school het kind voor de les verwacht, behoudens ziekte etc.).

Op de leerplichtwet wordt toegezien door de leerplichtambtenaar die in dienst is van een of meer gemeenten. De leerplichtambtenaar vergelijkt de namen van alle leerplichtige kinderen in het bevolkingsregister (GBA, gemeentelijke basisadministratie) met de namen van kinderen die door de scholen zijn opgegeven als bij hun ingeschreven. Wanneer de naam van een kind wel in het bevolkingsregister maar niet bij een school voorkomt, stuurt de leerplichtambtenaar een kaartje naar de ouders van het kind met de vraag op welke school het kind staat ingeschreven. Op zich komt dit geregeld voor. Gezien de vrijheid van schoolkeuze gaan veel kinderen naar een school buiten hun gemeente. Wanneer de leerplichtambtenaar de gevraagde informatie ontvangt van de ouders, controleert deze die informatie bij de school die door de ouders is opgegeven.

Thuisonderwijs komt op zichzelf niet voor in de de Nederlandse wet, alleen schoolonderwijs. Maar het geven van thuisonderwijs is wel legaal, zolang een vrijstelling van de plicht tot schoolinschrijving (of van schoolbezoek) is verkregen. Het gemak waarmee dit gaat verschilt per gemeente en per regio.

Vrijstelling van inschrijving

Bij vrijstelling van schoolinschrijving draagt de overheid geen verantwoordelijkheid over het onderwijs aan het kind.

Ouders behouden wel de zorgplicht tot bevordering van de persoonlijkheidsontwikkeling van hun kind en mogen bij het vervullen van deze plicht geen geestelijk of lichamelijk geweld of andere vernederende behandelingen toepassen. Dit is geregeld in artikel 247 van het Burgerlijk Wetboek I.

Het recht op ontwikkeling van het kind wordt niet vervuld als een kind geen leermogelijkheid krijgt. Ouders hebben dus een afgeleide plicht om passend (thuis)onderwijs te regelen van een kind dat niet naar school gaat. Zij hebben wel de vrijheid om hun onderwijs, naar hun beste weten, normen en waarden in te richten, zolang zij zich houden aan de voorwaarden van dit wetsartikel.

De meeste vrijstellingen zijn gebaseerd op grond van artikel 5 van de Leerplichtwet. Dit artikel geeft drie gronden voor vrijstelling, namelijk op grond van, kort gesteld:

a) ongeschiktheid voor schoolonderwijs,
b) overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs van alle scholen met geschikt onderwijs op redelijke afstand van de woning, en
c) inschrijving en geregeld bezoek aan een buitenlandse school

Artikel 5 onder a (ongeschiktheid voor schoolonderwijs) wordt meest gebruikt voor kinderen die niet tot veel cognitieve ontwikkeling in staat worden geacht, noch in regulier, noch in enige vorm van speciaal onderwijs. Deze vrijstelling geeft ouders die zelf voor thuisonderwijs willen kiezen geen eenvoudige grond voor vrijstelling en biedt bovendien op langere termijn geen zekerheid. De schoolgeschiktheid moet namelijk (elk jaar opnieuw) worden beoordeeld door een (door de gemeente aangezochte) arts of gedragsdeskundige.

Deze houdt wel rekening met een reeds gestelde diagnose. Maar als het kind na een periode van thuisonderwijs is opgeknapt, loopt de vrijstelling gevaar juist weer te vervallen omdat het kind dan schoolrijp geacht kan worden. Deze vrijstelling wordt in dat geval alleen verlengd als de deskundige meer vertrouwen heeft in het thuisonderwijs van de ouders dan in het (speciaal) schoolonderwijs waar het kind anders op aangewezen zou zijn.

Het gebruik van Artikel 5 onder b (richtingbedenkingen) wordt uitgelegd in een toelichting op richtingbedenkingen. Hier gaat het erom dat de ouders geen school (meer) kunnen vinden die hun religie of levensovertuiging in het onderwijs uitdraagt en bevordert.
Een eventuele handicap of het feit dat het kind ongelukkig is op school of gepest wordt geeft op zichzelf geen grond voor vrijstelling in de Leerplichtwet. Een beroep op richtingbedenkingen is in deze omstandigheden denkbaar maar moet zeer zorgvuldig worden geformuleerd.

Artikel 5 onder c wordt meest gebruikt voor kinderen die in Nederland wonen maar in het buitenland naar school gaan. Volgens een rechtszaak in 2008 kan buitenlands correspondentieonderwijs ook tot vrijstelling onder deze noemer leiden. Zaak is daarbij dat vooral dat de buitenlandse instelling de verantwoordelijkheid voor het onderwijs aan het kind op zich neemt. Het onderwijs vindt in gezinsverband plaats en wordt dagelijks begeleid door de ouder(s) maar juridisch gesproken betreft het dan schoolonderwijs.
Update januari 2010: Op dit moment gaan officieren Leerplicht landelijk standaard over op vervolging om (meer) duidelijkheid te krijgen over de toepassing van dit wetsartikel. We raden daarom voorlopig aan om alleen art. 5 onder c te gebruiken in combinatie met aanspraak op vrijstelling op grond van bijv. richtingbedenkingen.

Tijdelijke vrijstelling van schoolbezoek

Voor kortere periodes (als vuistregel maximaal een half jaar) is vrijstelling van schoolbezoek mogelijk, in een sfeer van overmacht of na plaatsing op een wachtlijst. Soms kunnen in overleg met diverse instanties zoals de school, de leerplichtafdeling, jeugdzorg afspraken gemaakt worden over het tijdelijk niet naar school gaan.
Dit wordt alleen toegestaan in gevallen waarin het kind al een zodanig dossier van schoolproblematiek heeft dat een overgang naar een andere school (waaronder speciaal onderwijs) geen vooruitzicht biedt voor een goede oplossing. Net als bij een beroep op artikel 5 onder a valt de vrijstelling onder het oordeel van anderen dan de ouders zelf.

Flexischool

Artikel 41 van de Wet op het Primair Onderwijs geeft basisscholen de bevoegdheid om het onderwijs voor elk kind verschillend in te richten. Daarbij hoeft een kind niet al zijn onderwijs per se in het schoolgebouw zelf te ontvangen. Het kind kan zelfs thuis onderwijs krijgen dat het klassikale onderwijs (deels) vervangt. Voor zo’n individueel aangepaste regeling moet de school een programma van vervangend onderwijs vaststellen, en het kan alleen op een zeker kind worden toegepast na een verzoek van diens ouders. Ouders en school moeten hiervoor met elkaar in overleg en daarbij is een zeker vertrouwen in elkaar nodig. Aan de eis dat het onderwijs gegeven moet worden door iemand met een lesbevoegdheid, kan worden voldaan door regelmatig contact met een leerkracht van de school.

Zolang het kind buiten school het onderwijsprogramma blijft volgen, dat de school voor hem/haar heeft samengesteld, treedt er geen schoolverzuim op, ook niet als het kind buiten de school leert. De school en de ouders mogen dan ook hiertoe overgaan zonder toestemming of medeweten van de leerplichtambtenaar. Artikel 4 lid 2 van de Leerplichtwet stelt immers: ‘Het schoolbezoek vindt geregeld plaats, zolang geen [door de school vastgestelde] les of praktijktijd wordt verzuimd.’

Deze tekst is naar beste weten en ervaring opgesteld door vrijwilligers van de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs (NVvTO).