door Harriet Pattison
Samenvatting
Vaak wordt de indruk gewekt dat ouders toch wel over uitzonderlijke talenten moeten beschikken om thuisonderwijs tot een succes te maken. Zowel didactisch, qua kennis en zelfs wat betreft hun persoonlijkheid. Toch blijkt uit onderzoek naar zowel thuis- als schoolonderwijs dat kinderen vooral goed blijken te leren als hun ouders ‘gewoon’ ouders zijn, een concept dat we al zo lang kennen. Ik zal hier het onderzoek bespreken dat we gedaan hebben naar wat thuisonderwijzende ouders nu precies doen. En ik zal daarbij aangeven dat dit precies spoort met regulier onderzoek naar de manier waarop schoolkinderen het beste ondersteund kunnen worden bij het leren. Dit biedt de thuisonderwijsgemeenschap kansen om aan te haken aan dit onderzoek.
Wat is er bijzonder aan thuisonderwijs-families?
Wij zijn thuisonderwijzers met drie kinderen die nooit naar school zijn geweest en die hun hele leven al thuis hebben geleerd. Ze zijn nu 12, 10 en 8 jaar. Het is fascinerend om ze te zien groeien en leren. Persoonlijk heeft het me doen twijfelen aan veel aannames over leren en opvoeding, die ik vroeger vanzelfsprekend vond. In plaats daarvan heb ik veel geleerd van andere thuisonderwijzers, die we hebben ontmoet en hebben leren kennen. De mogelijkheid om onze ideeën ervaringen te delen in onze thuisonderwijsgemeenschap is een bron van onschatbare waarde. Het stelt ons in staat elkaar te helpen en biedt ons een grote kans om er achter te komen wat leren echt is, hoe het gebeurt en wat we als ouders kunnen doen om het te ondersteunen. Deze en andere vragen hebben me geïnspireerd in mijn werk als onderzoeker aan de University of London. Deze lezing is gebaseerd op onderzoek dat ik samen met Alan Thomas heb uitgevoerd tijdens het schrijven van ons boek over natuurlijk leren. Het heet ‘How children learn at home’ en komt uit in november 2007.
De titel van mijn lezing ‘Wat is er zo bijzonder aan thuisonderwijs-families?’ slaat op twee thema’s die ik wil behandelen. Ten eerste mijn overtuiging dat thuisonderwijs een praktisch en goed alternatief is voor iedere familie die daar voor kiest. Ten tweede wil ik de mogelijkheden laten zien om het begrip voor en de acceptatie van thuisonderwijs te vergroten door voort te bouwen op wat we uit onderzoek op scholen weten over leren. Vaak woedt er een discussiestrijd tussen thuis- en schoolonderwijs, maar dit doet de verdere verspreiding van thuisonderwijs niet altijd goed. Ik leg dit hierna uit aan de hand van onderzoek.
Nu eerst naar de rol van ouders in thuisonderwijs. Het begrijpen van deze rol speelt een centrale rol bij het slagen van thuisonderwijs in individuele gevallen, maar ook als je wilt begrijpen hoe thuisleren plaatsvindt en plaats kan vinden.
Voor individuele ouders kan het een angstaanjagend onderwerp vormen. In onze gesprekken met thuisonderwijs-families tijdens het onderzoek verwoordde een moeder dat (in een land waar het is toegestaan) vermoedelijk de grootste hinderpaal voor thuisonderwijs het gebrek aan zelfvertrouwen bij de ouders is. Deze zienswijze kwam naar voren nadat een andere moeder had geïllustreerd dat het haar een heel jaar had gekost om moed te verzamelen om haar – daar bijzonder ongelukkige – kind van school te halen. Ze was op de hoogte van de mogelijkheid tot thuisonderwijs en wilde het graag geven. Toch vond ze dat ze het niet kon en durfde ze het niet aan. En als je naar de publieke perceptie van thuisonderwijzende ouders kijkt, is het ook niet zo gek dat deze zich geïntimideerd voelen.
Als mensen over thuisonderwijs beginnen, is vaak de eerste vraag: ‘Ben je zelf leraar?’. Soms vragen ze dat niet zo direct, maar op een andere manier: ‘Hoe geef je dan natuurkunde thuis?’ of ‘Je moet zeker wel heel veel voorbereiden?’ of ‘Ik zou het niet kunnen – ik weet te weinig meer van wiskunde’. Dit soort opmerkingen doelen vooral op onze professionaliteit als thuisonderwijzers – weten we zelf wel genoeg van onderwerpen af, zijn we wel goede leraren?
Een tweede type opmerkingen die we vaak tegenkomen gaan over de persoonlijke talenten van thuisonderwijzende ouders. Mensen zeggen vaak: ‘Jij moet wel erg veel geduld hebben!’ of ‘wat dapper, zeg’ of ‘mijn kinderen zouden nooit de hele dag naar me luisteren’ en zelfs ‘Ik zou gek worden als ik de hele dag thuis zou zitten met m’n kinderen!’ Dit soort opmerkingen suggereren dat je voor thuisonderwijs moet beschikken over bijzondere persoonlijke eigenschappen en sterke punten. Dit soort opmerkingen zijn misschien nog vrij begrijpelijk als ze komen van iemand die je net hebt ontmoet op een feestje, of zomaar bij de bushalte of waar dan ook. Maar ze komen in werkelijkheid ook tot vrij hoog op de ladder voor bij commentatoren van thuisonderwijs. Steve Sinnott, voorzitter van de National Union of Teachers (Britse Vereniging van Leraren) gaf een paar jaar geleden als commentaar in the Guardian ‘dat maar weinig ouders alle onderwerpen van het nationale schoolcurriculum zouden kunnen bestrijken en over de goede materialen en hulpbronnen kunnen beschikken. Kate Ashley zegt in hetzelfde artikel ‘dat de gedachte alleen al dat mensen 24 uur met de kinderen moeten optrekken, voldoende is om hen de zin daarin te ontnemen’.
Alles bij elkaar impliceren deze opmerkingen dat succesvolle thuisonderwijzers anders zijn dan gewone ouders; het zou kennis en persoonlijke talenten vergen waarover de meeste ouders waarschijnlijk niet beschikken.
Ons onderzoek naar de rol van thuisonderwijzende ouders richtte zich niet zozeer op de vraag wat voor soort ouders het zijn en wat voor onderwijservaring en kundes ze zelf hebben. Wij wilden daarentegen liever weten wat ze nou precies de hele dag doen. Als je het dak van het huis van een thuisonderwijs-gezin er af zou tillen en erin zou kijken, wat gebeurt daar dan? We hebben die vraag speciaal gesteld aan families die voor ‘natuurlijk leren’ hebben gekozen en die hun kinderen het merendeel van de tijd of de hele tijd niet actief onderwijzen. Maar we zullen zien dat de gegeven antwoorden en de conclusies waar we op uitkwamen, relevant zijn voor alle thuisonderwijzers en in feite voor elke familie, voor welke leermethode je ook kiest.
Wat doen thuisonderwijzers?
We hebben ontdekt dat thuisonderwijzende ouders vier dingen doen. Ze leven hun eigen leven, ze hielpen kinderen hun eigen leven te leiden, ze deelden samen hun leven en de ouders hadden vertrouwen in hun kinderen en hun aspiraties. Laten we dit eens van wat dichterbij bekijken.
Ouders leiden hun eigen leven. Thuisonderwijzende ouders zijn natuurlijk niet alleen thuisonderwijzende ouders. Ze hebben allerlei verschillende taken, verantwoordelijkheden, relaties en eigen interesses. Ze zijn vrienden, buren, leden van gemeenschappen, burgers en ze hebben alle rechten en verplichtingen die daarbij komen kijken. Ze runnen het huishouden, van schoonmaken tot boekhouden, ze doen boodschappen, onderhouden de tuin, ze koken en gaan om met instanties als banken, dokter en klusjesmannen. Ze nemen deel aan bijeenkomsten, gaan naar de kerk, stemmen bij de verkiezingen. Ze hebben interesses en hobby’s, doen aan sport, zitten op clubs en hebben hun eigen sociale leven. Al deze dingen doen ouders niet om ze te leren aan hun kinderen of om ze te laten zien hoe het in de wereld werkt. Maar als je, zoals in thuisonderwijs-gezinnen gebruikelijk is, dag-in-dag-uit samen nauw contact hebt, is het gevolg dat kinderen voortdurend gedemonstreerd wordt wat het is om een volwassene te zijn in onze maatschappij. Kinderen zien voortdurend wat volwassenen moeten weten, wat ze moeten kunnen en hoe ze zich moeten gedragen. En, toevallig, horen hier ook intellectuele vaardigheden bij, zoals lezen en rekenen. Je zou in deze situatie kunnen spreken van een leerling/meester-verhouding. Kinderen komen met het volwassen leven in aanraking en hebben zo de gelegenheid om dit beter te leren kennen en er heel geleidelijk aan mee te doen. Enkele ouders in het onderzoek lichtten dit toe, in het bijzonder met betrekking tot huishoudelijk werk. Zij gingen ervan uit dat kinderen er spontaan een bijdrage aan zouden gaan leveren, in hun eigen tempo en vanuit de geschetste leerlingsituatie. We kunnen hier een vergelijking trekken met kinderen in andere culturen die zonder school opgroeien. In veel van deze gemeenschappen wordt de kindertijd niet zozeer beschouwd als een beschermde leerperiode waarin kinderen slechts een geringe wezenlijke bijdrage leveren. Kinderen leren daar niet alleen, maar nemen deel aan de gemeenschappen en leveren er een waardevolle, praktische bijdrage aan.
Ten tweede hielpen ouders hun kinderen hun eigen leven te leiden. Ouders boden hun kinderen toegang tot hun naaste omgeving en cultuur, en gaven hen de middelen om deze verder te verkennen. Ouders namen kinderen mee naar de speeltuin en naar het zwembad, de bibliotheek, musea en andere plaatsen die de kinderen leuk zouden vinden. Ze introduceerden ze bij het bredere familieverband, inclusief vrienden en kennissen, bij andere gezelschappen en andere kinderen. Ze gaven ze toegang tot zaken die volwassenen gebruiken om hun omgeving te begrijpen, te beheersen en te ontdekken. Dus kregen ze pennen, potloden, papier, zakgeld, tv, boeken, klokken, geld, keukens om te koken, tuinen om te laten groeien et cetera. De ouders van oudere kinderen omschreven zichzelf vaak als fascilitators. Of zoals een moeder het stelde: ‘Ze komen naar me toe als ze iets nodig hebben of ik open op de een of andere manier deuren voor ze.’ Dit was kenmerkend voor de manier waarop ouders hun rol zagen en hun kinderen hielpen om hun eigen interesses na te streven en hun leven te leiden.
Ten derde deelden ouders en kinderen hun leven samen. Zoals gezegd brengen kinderen en ouders in thuisonderwijs-gezinnen veel tijd met elkaar door. Ze werken samen, ze spelen samen, praten samen en maken samen plannen. Heel vaak hadden ze gezamenlijke interesses die begonnen tijdens werken of spelen. Een moeder beschreef hoe haar dochter langzaamaan haar moeders passies was gaan delen. Ze brachten samen de hele dag door; ze hielden allebei van kunst en muziek en deelden hun gezamenlijke passies graag samen. Een andere moeder vertelde hoe haar zoon aan on-line computerspelletjes verslingerd raakte. Zij begon er daarom zelf ook mee, want ze wilde begrijpen wat hem daarin fascineerde. Bijna alle ouders benadrukten het vele praten en lezen dat ze samen met hun kinderen deden.
En ten slotte, hadden ouders vertrouwen in hun kinderen en hun aspiraties. Ouders zagen hun kinderen als interessante, capabele en getalenteerde mensen. Ze geloofden in hun aspiraties en geloofden dat ze in staat waren om in hun omgeving dát te vinden wat ze nodig hebben om te leren. En dat ze iets terug konden geven aan hun maatschappelijke omgeving. Het was erg interessant om te zien dat ouders de dromen en wensen van hun kinderen ondersteunden, min of meer onverschillig wat de kinderen deden. Maar als je kind van school komt met cijfers en rapporten onder het gemiddelde, dan kan ik me voorstellen dat het erg moeilijk is voor het kind om het zelfvertrouwen te bewaren. En het moet in zo’n geval best moeilijk zijn voor ouders om niet anders tegen hun kind aan te gaan kijken. Voor thuisonderwijzende ouders daarentegen waren zelfs situaties dat kinderen ‘achterliepen’ (bijvoorbeeld als ze ‘laat’ gingen lezen) geen probleem. Ouders vonden hun kinderen nog steeds capabel en zeiden dingen als: ‘hij zal kunnen wat hij wil in het leven.’. De optelsom van dit vertrouwen, zo zei een van de ouders, is een houding ‘waarin hij waarschijnlijk niet zal aarzelen voordat hij ergens inspringt. Dat klinkt gevaarlijk, alsof ze helemaal niet bang zijn. Maar natuurlijk zijn ze dat, uiteraard leren ze voorzichtig te zijn. Ze kennen alleen niet die persoonlijke blokkades waardoor veel mensen zeggen: ‘ik weet niet of ik dit wel kan’.
Deze vier punten klinken erg aardig, vindt u niet? Toch zijn het geen heel bijzondere zaken. Verwachten we dit in feite niet gewoon van gezinnen? We verwachten dat gezinsleden in elkaar geïnteresseerd zijn, elkaar helpen waar ze kunnen en voor elkaar het beste willen. Dit zijn niet de onderwerpen waarvoor je naar de universiteit moet, op cursus hoeft of waarover je boeken moet lezen. Het is in wezen simpel familiegedrag en als gezinnen deze dingen niet doen, zeggen we dat ze dys-functioneren. Maar hoe werkt dit type gezinscontext door als leeromgeving? Ik denk dat de meeste mensen hierop zouden antwoorden dat ze eerst meer willen weten over het kind. Als maatschappij accepteren en verwachten we, nee sterker nog: weten we dat baby’s en kleine kinderen wonderbaarlijke hoeveelheden leren in zo’n omgeving. En hoe zit dat met kinderen van, laten we zeggen, vijf, tien of dertien jaar oud? Hoe ouder kinderen worden, des te meer zijn we geneigd om te denken dat de bestaande leeromgeving simpelweg onvoldoende is om in verder te gaan. Maar hoe valide is dit idee dat de hulp bij het leren moet veranderen als kinderen ouder worden?
Ik kom nu op ander onderzoek en keer terug bij het punt dat we regulier schoolonderzoek kunnen gebruiken om argumenten die voor thuisonderwijs pleiten, te ondersteunen. Dit onderzoek werd gedaan door twee Britse onderzoekers, Desforges en Abouchaar. Zij hielden zich niet bezig met thuisonderwezen kinderen, maar waren geïnteresseerd in schoolkinderen. Met name wilden ze weten wat de verschillen waren tussen kinderen die het goed deden en kinderen die niet zo goed waren op school. Dit is zeker geen nieuw vraagstuk. In plaats van het zoveelste onderzoek uit te voeren, deden ze literatuuronderzoek naar reeds uitgevoerd, gedegen onderzoek. Ze vergeleken daarin de resultaten van zo veel mogelijk Engelstalige onderzoeken met betrekking tot schoolprestaties. Daarbij zochten ze naar gemeenschappelijke aanwijzingen en conclusies, om aan te kunnen duiden wat de prestaties van kinderen op school nu bepaalt. Het – overduidelijke – resultaat van hun onderzoek is dat de bepalende factor hierbij is wat de kinderen thuis doen! Desforges en Abouchaar vatten dit zelf als volgt samen: ‘de belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is dat de rol van de ouders als ‘goede opvoeders’ een significant positief effect heeft op de prestaties van kinderen, zelfs als we alle andere prestatiebevorderende factoren buiten de vergelijking houden’.
En het is belangrijk om te vermelden dat bij die ‘andere factoren’ ook de kwaliteit van de school is meegenomen! Met andere woorden, ook al stuur je je kind naar de beste onderwijsinstelling, naar die ene superschool, dan nóg is de belangrijkste succesfactor de leefsituatie thuis. En wat bedoelen Desforges en Abouchaar nu precies met die cruciale term ‘goede opvoeders’. Ze hebben het dan niet over de sociale status, de financiële of materiële situatie van gezinnen. Ze bedoelen niet het opleidingsniveau van de ouders, de bijles of de huiswerkhulp. Zij beschrijven de input van ouders specifiek als ‘het bieden van een veilige en stabiele omgeving, intellectueel stimulerend, met ouder/kind-discussies, sociaal en opvoedkundig goed voorbeeldgedrag, hoge verwachtingen wat betreft persoonlijke voldoening en goed burgerschap.’.
Hé, deze opsomming lijkt verdacht veel op de vier punten die Alan en ik vonden, toen we in ons onderzoek vroegen wat thuisonderwijzende ouders deden. We hebben thuis de veilige omgeving, we hebben het rolmodel van ouders die hun eigen leven leiden, we hebben veel vertrouwen in de leercapaciteiten van kinderen, en we hebben de voortdurende intellectuele stimulansen en discussies als onderdeel van de interesses en levens die we met onze kinderen delen. Het lijkt erop dat de ouders die dit tonen in de thuisonderwijssituatie in hetzelfde licht moeten worden bezien als de ouders uit het onderzoek die het goed doen bij het steunen van hun kind op school. We kunnen samen zeker concluderen dat we het over dezelfde dingen hebben. Desforges en Abouchaar hebben in feite een vrij nauwkeurige miniatuur schets geleverd van natuurlijk leren. Daarom zou je kunnen zeggen dat ze concluderen dat, ook al gaan hun kinderen naar school, deze ouders in feite al thuisonderwijzers zijn.
Desforges en Abouchaar concluderen verder dat ‘goede opvoeding’ kinderen in staat stelt te leren op school. Maar het minpunt van dit onderzoek is dat, hoeveel studies ze hierin ook hebben meegenomen, ze allemaal gingen over kinderen in een schoolsituatie. Het idee dat school een cruciale rol zou spelen in het leerproces was hierbij dus een aanname. Alan en ik hebben in wezen de controlegroep onderzocht door te kijken naar kinderen die buiten de schoolsituatie leerden. En we kwamen tot de conclusie dat de genoemde ouderlijke input inderdaad nodig was. Maar we hebben geen bewijs gevonden voor het feit dat input van een school(type) ook nodig zou zijn. De kinderen die wij tegenkwamen, leerden thuis, gesteund door precies die ouderlijke input, die ze van baby af aan gewend waren. Het was niet nodig en er was ook geen bewijs voor om Desforges’ en Abouchaars aanname door te trekken dat dit op zichzelf niet voldoende zou zijn. Het grote verschil was dat thuisonderwezen kinderen juist veel meer van dit type ouderlijke input kregen.
Ik vind dat wij als thuisonderwijzers dit soort onderzoek goed kunnen gebruiken bij onze zoektocht naar meer begrip voor thuisonderwijzende gezinnen. Niet alleen wij weten hoe belangrijk de net genoemde zaken zijn, ook reguliere onderzoeken naar schoolprestaties tonen dit aan. Van die gemeenschappelijke basis moeten wij gebruik maken. Het is namelijk veel moeilijker om thuisonderwijzers neer te zetten als een enge randgroepering die de weg kwijt is, als we sterk onderzoek aan onze kant hebben staan, dat voortkomt uit de reguliere onderwijswereld.
We begonnen deze discussie met een vraag waar ik nu op terugkom: ‘wat is er zo bijzonder aan thuisonderwijs-families?’. Welnu, het antwoord mag dan misschien een klap zijn voor het ego van thuisonderwijzers… maar als je gedetailleerd kijkt naar wat thuisonderwijzende ouders doen, dringt de conclusie zich op dat er niets bijzonders aan ze is. Thuisonderwijzers doen wat we van alle ouders verwachten en alle ouders zijn thuisonderwijzers, ook al doen ze dat maar part-time. Voor ons als thuisonderwijsgemeenschap is er echt geen beter nieuws dan dit: thuisonderwijs is een uitvoerbaar alternatief voor elk gezin dat ermee wil beginnen. Het ermee willen starten is de cruciale factor. Thuisonderwijzende ouders moeten van hun kinderen houden, moeten bij ze willen zijn en hun leven met ze willen delen; ze moeten een actieve ouder willen zijn. En als ze dat allemaal willen …, dan is de kans erg groot dat ze in feite al thuisonderwijzers zijn.
Als je dit nog wat verder doortrekt en met full-time thuisonderwijs begint, is dat alleen maar een uitbreiding van de dingen die ouders al doen waardoor kinderen sowieso leren. En met die wetenschap kunnen wij allemaal aan vertrouwen winnen.
Voor commentaar of discussie: harriet.pattison@gmail.com
Dit artikel is een vertaling van een bewerking van een toespraak gehouden op het Internationale Thuisonderwijs Colloquium 2007.
