Reactie NVvTO op handelen overheid en publicatie Ingrado – 12 juni 2026
De afgelopen weken is er door diverse gemeenten op verschillende wijzen gehandeld bij beroepen op artikel 5 onder b van de Leerplichtwet. Daarmee is de willekeur, rechtsongelijkheid en -onzekerheid onder thuisonderwijsgezinnen weer terug (nadat eerder, in april 2025 het OM stopte met vervolgen om juist rechtsongelijkheid te voorkomen). De NVvTO maakt zich grote zorgen over het handelen in diverse gemeenten en de mogelijke gevolgen van dit handelen voor de gezinnen in de achterban.
De NVvTO heeft daarnaast kennisgenomen van de publicatie ‘Omgaan met vrijstellingen artikel 5 onder b Leerplichtwet na uitspraak Hoge Raad april 2026’ van Ingrado. Deze handreiking is bedoeld om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet (Lpw.) na het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026. Ingrado benadrukt in de publicatie dat het gaat om een advies.
In de handreiking is te lezen dat deze er mede is ‘(..) om ervoor te zorgen dat kinderen die langdurig buiten het onderwijs hebben gestaan weer in beeld komen en een passend onderwijs- en ontwikkelperspectief krijgen.’
Het gaat hier echter juist om gezinnen die met hart en ziel thuisonderwijs geven. Gezinnen die hun leven hebben ingericht rondom thuisonderwijs. Ouders die hun plicht uiterst serieus nemen en met aandacht, betrokkenheid en verantwoordelijkheid het onderwijs vormgeven. Thuisonderwijs kinderen krijgen wel degelijk onderwijs. Ouders dragen zorg voor de ontwikkeling en scholing van hun kinderen, vaak binnen hechte netwerken en met grote inzet. Kinderen die zich ontwikkelen en succesvol uitstromen naar staatsexamens, vervolgopleidingen en/of arbeidsmarkt (zie www.thuisonderwijs.nl/nieuws/onderzoeken/).
Artikel 5 onder b Lpw. bestaat niet voor niets. Het beschermt minderheden. Het beschermt gezinnen voor wie in hun omgeving geen school beschikbaar is die aansluit bij hun levensbeschouwing. Zo is in het coalitieakkoord te lezen: ‘(d)e vrijheid van onderwijs, zoals verankerd in artikel 23, biedt ouders en leerlingen de mogelijkheid om een school te kiezen die past bij hun overtuiging. Deze vrijheid is een fundament in onze grondwet.’ Wanneer je behoort tot een meerderheid, is er veelal een passende school in de buurt om te kiezen die past bij je levensovertuiging. Is die er niet omdat je behoort tot een minderheid, maar ben je met voldoende gezinnen, dan kan je zo’n school oprichten. Maar wonen gezinnen met eenzelfde levensbeschouwing te ver uit elkaar, dan lukt dit niet. In dit land beschermen we deze grondrechten, juist ook die van minderheden. En daar is deze vrijstelling voor bedoeld.
Grondrechten
Ouders beroepen zich dus op een recht. Deze ouders verdienen geen wantrouwen. Toch zien wij nu dat gezinnen die gebruikmaken van hun wettelijk recht onder druk worden gezet. De manier waarop is buitenproportioneel. Wie zich op een wettelijk recht beroept, behoort niet ineens dat recht ontnomen te worden zonder tussenkomst van de rechter of wetgever.
De handreiking stelt verder dat het arrest van de Hoge Raad volgens Ingrado een duidelijker juridisch toetsingskader biedt voor nieuwe beroepen op vrijstelling en voor kinderen die al langere tijd over een vrijstelling beschikken. Ook vermeldt de publicatie dat het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd de strafrechtelijke vervolging op basis van dit toetsingskader te hervatten. Juist dat maakt deze ontwikkeling zo zorgelijk. Gezinnen die al jarenlang in goed vertrouwen thuisonderwijs geven, kunnen hierdoor ineens geconfronteerd worden met strafrechtelijke druk (zelfs zij die al eens een strafrechtelijke procedure doorliepen en waar de rechter besloot dat het beroep op art. 5 onder b Lpw. juist was). Dat raakt niet alleen ouders, maar vooral ook kinderen.
Het is onacceptabel dat ouders jarenlang gebruik kunnen maken van een wettelijke regeling, zij vervolgens door veranderende interpretaties, lokaal beleid en dreiging met handhaving feitelijk worden ontmoedigd om dat recht nog uit te oefenen.
Gelukkig horen we óók van leden dat leerplichtambtenaren in diverse gemeenten met redelijkheid en menselijkheid omgaan met vrijstellingen en thuisonderwijsgezinnen steunen bij het geven van thuisonderwijs.
Wat nu..?
De NVvTO roept gemeenten, leerplichtambtenaren, Ingrado, het ministerie van OCW en het Openbaar Ministerie op om onmiddellijk terughoudendheid te betrachten inzake handelen naar de gezinnen die zich beroepen op hun recht.
Al sinds begin van deze eeuw wordt door de overheid erkend dat thuisonderwijs in de praktijk bestaat en dat een vorm van toezicht wenselijk is. Toch is er tot op heden geen wettelijke regeling tot stand gekomen. In opdracht van OCW zijn reeds drie onderzoeken verricht naar thuisonderwijs, alle met prachtige resultaten. Meerdere keren is de wetgever hierop aangesproken, waaronder door het OM en de Onderwijsraad. De huidige situatie is niet ontstaan doordat ouders zich aan toezicht willen onttrekken, maar doordat de wetgever er gedurende tientallen jaren niet in is geslaagd een passende wettelijke regeling voor thuisonderwijs tot stand te brengen. Hierdoor hebben deze gezinnen nu (opnieuw) te maken met willekeur, rechtsongelijkheid en -onzekerheid. Uiteraard is het van belang dat burgers kunnen vertrouwen op het geldende recht.
De NVvTO roept (al jaren) de staatssecretaris op om thuisonderwijs eindelijk wettelijk te erkennen en te voorzien van passend toezicht. Daarmee kan worden gezien en erkend wat in de praktijk allang gebeurt: dat kinderen ook buiten een schoolgebouw goed onderwijs kunnen krijgen. Om zowel de (grond)rechten van het kind als de ouders te borgen en te voldoen aan de positieve verplichting van de staat om ieder kind effectief onderwijs te bieden.
Thuisonderwijs is maatwerk. Ouders stemmen het onderwijs af op de behoeften, ontwikkeling en interesses van hun kind. Zij dragen verantwoordelijkheid voor opvoeding en ontwikkeling en doen dat met overtuiging. Die verantwoordelijkheid verdient erkenning, geen rechtsonzekerheid.
De NVvTO staat voor thuisonderwijs in de wet, met passend toezicht, rechtszekerheid voor gezinnen en respect voor ouders die vanuit hun geweten en wettelijke rechten zorgvuldig onderwijs geven aan hun kinderen.
_______________________________________________________________________________________________________________________________________
Wettelijk kader
Wat zegt de Leerplichtwet?
Het wettelijk kader wordt gevormd door de Leerplichtwet 1969. Op grond van artikel 2 zijn kinderen van vijf jaar en ouder in beginsel leerplichtig. Bij vrijstelling van inschrijving vervalt de verplichting een kind op een school of instelling in te schrijven. Ouders behouden echter hun verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van hun kind, zoals onder meer vastgelegd in artikel 1:247 BW. Daaruit volgt dat zij moeten voorzien in passend onderwijs voor een kind dat niet naar school gaat. Binnen die verantwoordelijkheid hebben ouders ruimte om het onderwijs naar eigen inzicht, normen en waarden vorm te geven.
Vrijstellingen
In de Leerplichtwet zijn drie artikelen opgenomen die vrijstelling geven van de plicht van inschrijving, namelijk artikel 5, 5a en 15 Lpw. De eerste twee geven vrijstelling van rechtswege. Artikel 5 geeft drie gronden voor vrijstelling (art. 5 onder a, 5 onder b en 5 onder c Lpw.). Het betreft hier artikel 5 onder b Lpw.
Artikel 5 onder b Lpw.
Artikel 5 onder b Lpw. beschrijft het recht op vrijstelling van inschrijving vanwege richtingbezwaar. Het gaat er daarbij om dat de ouders geen school op redelijke afstand van hun woning kunnen vinden, die het kind wil plaatsen en die de religie of levensovertuiging van het gezin in het onderwijs uitdraagt en bevordert.
Kennisgeving
Een beroep op dit recht kan worden gedaan door middel van een kennisgeving aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens. Deze kennisgeving dient te voldoen aan enkele voorwaarden zoals genoemd in artikel 6 en artikel 8 Leerplichtwet 1969.